Categorie archief: Geen categorie

Dit ben ik

Capitis Mundi

Alle hoofden van de wereld

werk26

Geboren te Eijsden aan de Maas, Bat no 7 , 02-11-1952 en wel op een zondag.

Zoon van Joseph Feijs en Francoise Warnier.

Bij Eijsdenaren welbekend  markant pand.Mijn geboortehuis dus.

 

bat 7

Sedert 1981 woonachtig te Kerkrade.

In het jaar 1989 ben ik begonnen met schilderen , met olieverf aan de slag, we wilden iets aan de muur hangen……………..en de kinderen waren toch zo klein voor vakantie.

Het vak leren :Kermissen, carnaval, bloemen enz.,prutsen en rotzooien met de materie en de onderwerpen.

Helaas in 1996 : uitgeschilderd ,we noemen dat : geen inspiratie meer, artistieke pauze dus 1996-2004

Vanaf 2004 de draad wederom opgepakt,  werkend met acryl en olie glacis. Acryl is toch o zo lastig………..en weerbarstig en uitdagend.

Resultaat : werken in Glaspaleis Heerlen Expo

Wederom een kleine pauze 2009-2011 (inspiratieloos) en slechts enkele dingen gemaakt om er in te blijven,

Opleiding: wisselende lessen vrije academie kerkrade

Verder auto-didact , nou ja met hulp van Joseph Kerff,beeldend kunstenaar,

hier samen op de Campus Kerkrade,

toen nog scheurvrij; misc04de teacher voor  acryl en vele boeken uit de bib en speuren naar andermans werk op internet.

Schilderen als hobby : verwerken van beelden die opwellen, soms (vaakl) naief, soms echt , soms nageaapt, anders geinterpreteerd, gedeformeerd, getransformeerd,

niet origineel, intertekstueel, verprutst, maar altijd verrast over de uitkomst en met veel plezier gemaakt………………

 

en Paul Klee zei reeds:” Kunst geeft niet het zichtbare weer, maar maakt zichtbaar ”

Gebruikte materialen: Mdf-panelen,Rowney-Daly acrylverf, kwasten, schuurpapier, caparol, industriele acryl, transparant lak-acryl, tissues, spiritus, acryl primer, eigen olieverf, knipsels, water, thinner, water, Golden-acryl, van Gogh-acryl, Rembrandt-acryl, System-3 en uiteraard Gesso enz…….lol

Al mijn schilderijen mogen naar hartelust gedownload, gekopieërd,vermenigvuldigd en wat dies meer zij worden, na melding !!

Hier is mij ander site : schilderen en familiezaken  :http://www.michelfeijs.nl/

Agnita , in oorlogstijd

Omslag boek

Oorlog:

Verzen in staccato door Agnita Henrica Feis

 

Verzen in staccato

Eind 1915 verscheen Feis’ dichtbundel Oorlog. Verzen in staccato in eigen beheer in een oplage van 200 exemplaren.  Theo van Doesburg ontwierp  het omslag van deze dichtbundel.

De bundel kreeg overigens een zeer goede resensie van literatuurcriticus Albert Verwey.

Uitgeverij:

[Eigen beheer], [Amsterdam]
Jaar van verschijning: 1915
Omvang: 13 p.
Bijzonderheden:
Gedrukt bij “De Avondpost”,
Den Haag. Oplage 200 ex.
Naam op titelpagina: A.H. Feijs.
2de druk bij Avalon Pers,
Woubrugge 1981, 47, (4)p.
Oplage 120 genummerde ex.

De recensie van Albert Verwey:

bron: Albert Verwey, Proza. Deel X. Van Holkema & Warendorf / Em. Querido’s Uitgeverij, Amsterdam 1923

A.H. Feijs: Oorlog, verzen in staccato
Penning’s vriend F.H. Eydman – we herinneren ons de ‘Opdracht bij Voorbaat’ waarmede de dichter aan die ‘Vriend en vertrouwde, vandaag al volle vijftig jaar’ zijn ‘Najaarsloover’ wijdde – deze dan schrijft mij het volgende:
‘In opdracht van onzen vriend Penning zend ik u als drukwerk een boekje: Verzen in Staccato, door (Mejuffrouw of Mevrouw) A.H. Feis, Joh. Verhulststraat 33, Amsterdam.
Dit bundeltje schijnt niet in den handel te zijn. Penning heeft onzen Rijswijkschen boekhandelaar er vergeefs op uitgestuurd; deze wist het niet op te diepen. Toen heeft een andere vriend van mij, ook al van veertig jaren her, het mij bezorgd. Wij hadden het van hem gelezen; ik eerst, daarna den blinde voorgelezen. Deze kwam tot de vraag, waarom deze geweldige staccato’s nergens in de Pers besproken waren? De vriend aan wien wij ze dankten vroeg zich dat ook af; het antwoord van den boekhandelaar zal misschien wel het juiste zijn: omdat de dichteres niet de gewone reclame (het zenden van zoo- en zoo-veel exemplaren aan de Pers) gevolgd heeft.
Penning gaat uit van de veronderstelling dat gij ze niet kent en zendt ze u daarom.’Het boekje heb ik ontvangen. Nauwelijks een vel druks klein postformaat, een omslagje in rood en zwart met eenige nadrukkelijk-aangeduide oorlogs-symbolen en als titel in de kleuren uitgespaard: Verzen in Staccato door A.H. Feis. Ik vestig er de aandacht op dat binnenin, waar ook het woord Oorlog aan de titel is toegevoegd, de naam als Feijs gedrukt wordt.
De dichter (dichteres, zooals ik op gezag van Eydman aanneem) heeft nergens haar adres vermeld. Ook wordt nergens een naam genoemd van drukker of uitgever. Is dus dit geschriftje niet aan tijdschriften of dagbladen rondgezonden, dan zijn vrijwel alle voorwaarden vervuld waarop uitsluiting uit de lezers-wereld mogelijk wordt.
Toch hooren deze verzen tot de ernstige, en dus waardevolle, uitingen die de oorlog zijn gedoemden slaken deed. ‘Geweldige staccato’s’ zegt Penning; en ook zonder dat ik mij aanmatig zijn uitspraak met de mijne te bekrachtigen, opent dit woord van een bewogen dichter de ooren van belangstellende landgenooten voor deze forsche en menschelijke regels.
Verzen in staccato. De titel is voortreffelijk. Want juist de kortheid, de afgebrokenheid, het uitgestootene van iedere regel – iedere regel niet meer dan twee sylben – oefent de gewilde werking uit. Omdat alleen iedere vierde regel een rijmwoord heeft, zou men meenen dat evengoed vier regels aaneen zouden kunnen worden geschreven en uitgesproken; maar dat is niet zoo. De rust achter iedere regel bepaalt mee de ernst en de zwaarte waar ieder woord mee gezegd wordt, – bepaalt mee de diepte van de stemming die, als ze zich uit haar wanhoop wil opheffen, tot ontzetting stijgt. Voor deze staccato’s geldt in bizondere mate het zeggen van een muziek-dirigent onder mijn vrienden: pauzen zijn ook muziek.
Het spreekt vanzelf dat deze gedichten, om geheel goed te zijn, dan ook de vereischte zwaarte in hun woorden bezitten moeten. De vorm moet geen schijn, maar wezen zijn.
Het boekje bevat er een twintigtal, van verschillende lengte. De onderwerpen zijn elk onmiddelijk ingegeven door de oorlog: de Slag, de Verlaten loopgraaf, de Soldaat, de Verminkte, de Pijl in de aero, en dergelijke. Niet alle zijn even geslaagd, maar geen is zonder ernst; alle hebben iets onmiddelijks en daardoor aangrijpends.
Het land is stom’ staat boven het volgende:
Geen kleur. Maar straks
Geen klank. niet meer…
Het land Het vuur
is stom. brandt voort.Slechts oog ’t Verteert.
en oor ’t Verkoolt…
voor zwaard …….
en trom. ’t Blijft stil.
Geen woord.O mensch, Geen kleur.
verhef Geen klank.
uw stem Het land
dan toch! is stom.Gil, krijsch, Slechts oog
huil, brul! en oor
’t Is tijd, voor zwaard
nu nog! en trom.Een ander heet De Bajonet:
Een punt Dat wil
van staal. de pijn,
Heel scherp, den dood,
heel wreed. alleen.Daar doet De koe
de mensch slacht niet
den mensch de koe.
meê leed. Het zwijn…Dat dringt Maar wij
in bloed. zijn trotsch
Dat dringt een mensch
door been. te zijn!GOD DE DUIVELDe mensch Ha, ha!
is goed! Hij ’s nog
De mensch niet eens
is geest. een beest!
Deze gedichten zijn meer dan indruk en moralizatie. Het gevoel woelt er onder, zoekt een uitweg en stoot zich telkens ontzet en verbijsterd tegen de kronkelwanden van de niet wijken willende gedachte. Hoezeer die geen uitweg wetende ontzetting het wezenlijke is in deze woorden, wordt men tot benauwens toe gewaar bij het lezen van een iets langer vers dat juist door zijn niet ophoudend heen en weer slaan van de voortgaande rij van korte regels de spanning tot het uiterste brengt. De Gil heet het.
Een gil van pool
snerpt rond tot pool.
van noord ’t Is geen
naar zuid, geluid;
[p. 140]
het is ’t Geluid
een dolk. was rood.
Het is Nu wordt
een zwaard! het wit,Die gil, als sterk
die gil! fel licht.
Die gil Zóó erg
bezwaart is dit,den mensch, dat kleur
bezwaart en klank
wat leeft. de aard
Het vee ontvlucht.

woelt rond; ’t Beheerscht
’t is bang. elk zacht,
Het beest elk zoet
huilt mee. gerucht.

De aar- Wie heeft
de dreunt, nù rust?
de lucht Wie is
wordt rood. nù stil?

Het hart Wie vindt
staat stil. geluk
Het oog bij zulk
wordt groot. een gil?

De ziel Die gil
krimpt weg. is wit.
De geest Die gil
sterft af. is rood.

Voor al Die gil
wat zacht is zwart,
was is ’t is meer
een graf! dan dood!

Die gil Die gil
is ijs. snerpt rond
Die gil van noord
is vuur! naar zuid.

Die gil O hoedt
dringt door, u toch
door huid voor zoo’n
en muur. geluid!
Niet enkel gevoel ook. De kleuren, dat besef van een gil die door huid en muur dringt, doen de verbeelding kennen, die de gevoelsschok overneemt en die aanstonds – zie het gedicht: De Droom in de Loopgraaf – met een schuddend, met een dramatisch tumult onze ontzetting vermeerdert.
Het licht. De boom
De zon. wordt vrucht:
Veel goud. àl vrucht.
Goud… blauw.. Hij voedt

Een boom. wat leeft.
Hij groeit, Mensch, dier
wordt sterk wordt één
van bouw. van bloed,

Hij bloeit, één van
wordt wit: geluk,
als sneeuw één, één
zoo wit. van hart.

Eén geur! Blauw… goud…
Eén kleur! Alarm!
Hoe goed Blauw… wit…
is dit! ……..
Zwart. Zwart!
[p. 142]
Alarm! Gesis.
Alarm! Gefluit.
Ontwaakt! Gekerm.
Treedt aan! Geblaas.

…….. De droom!
Blauw… blauw… De droom!
…….. Is dit
…….. de droom?

Gauw, gauw! En was
Men schiet! het waarheid
Men valt van
ons aan! dien boom?

Nacht. Kou. Och ’t goud
Een vlam. verkleurt.
Een knal. De vrucht
Geraas. bederft.
……..
……..
Hij bloedt!
Rood! Zwart!
Hij kreunt…
Hij sterft!
De gruwel, die in het gemoed van deze dichter huishoudt, heeft een duidelijke achtergrond. Hij komt uit tegen het gave beeld van die bloeiende boom die de eenheid verbeeldt tusschen alle schepsels.
De boom wat leeft.
wordt vrucht: Mensch, dier
al vrucht. wordt één
Hij voedt van bloed,
één van
geluk,
één, één
van hart.

De dichterlijke en menschelijke drang zet zich uit tot een al-eenheids- en menschheids-drang. En nu de oude mensch in bloed ondergaat ontwaakt met wanhopige kracht het verlangen naar een nieuwe die hem in zich overwinnen zal. Dit is de toon waar de verzen in uitklinken. Als een goddelijke voorzegging en als een noodzaak die wordt opgelegd luidt het daarin: de nieuwe mensch, een andere, een betere.
De mensch Klaag niet.
in rood? Ween niet.
De mensch Het dier
in zwart? baarde u,

De mensch den mensch;
in pijn? en gij,
De mensch in bloed
geen hart? baart nu!

Mensch, mensch! Uit zwart
God, God! komt wit.
Waar zijt Licht komt
ge toch?! uit vuur.

Men roept Gij lijdt
Men smeekt. en ’t is
Antwoord maar voor
dan toch! één uur!
……..

‘Zie niet Baar! Baar
naar Mij. een nieuw-
Keer tot en mensch,
u in. een God!

Sta nu Baar! Baar
niet stil. in pijn.
Dat heeft Maar baar
geen zin. een God!’

Zoozeer de diepe, dichterlijke, de zang en gedicht geworden kreet van een ziel, van een ziel in nood te zijn, verdient meer dan een verschallen in het kabaal van de tijden. Indien ooit gedichten er aanspraak op hadden gehoord te worden door velen, zeker als ze zijn kunnen dat in duizenden harten hun echo leeft, dan zijn het deze. Een geschrift als dit behoort niet, uitgeverloos, onttrokken te blijven aan de verspreiding.

1916

 

Wie kan mij dit boekje bezorgen ?? 

Prijs euro 2000 ???