Bondsconcours

In Eijsden ben ik er mee opgegroeid, de 2 muziekcorpsen en de daaraan verbonden concoursen als wedstrijd.

Eindeloze repetities. Familie onder stress .

De Aw en de neuj Hermenie, mijn moeder Francoise , bijna 89 jaar, heeft het er nog over.

De neuj is de “Roej ” Sainte  Cecile .

Zij is “Blauw “, van de KOH , genaamd  Warnier .

Hier is mijn versie, lang geleden gemaakt, blauwe jassen met rode mutsen met pluim.

De ultime onmogelijke combinatie, maar het concours 2003 ??

De tegenstand ontbreekt in deze wedstrijd. Toch maar apart blijven.

 

Bondsconcours 2003

 

Bondsconcours 2003

Acryl, 62 bij 62 op board, 2003

2 Kwantitatieve deelname aan concertconcoursen

Er is een kwantitatief onderzoek gedaan naar de deelname aan concertconcoursen georganiseerd
door de KNFM en door de bonden van de VNM (vh. FKM en NFCM). Het aantal deelnemende
orkesten aan concertconcoursen nam gestaag af met gemiddeld ruim 13 per jaar (- 4 à 7% per jaar).
Deze afname geldt voor concoursen georganiseerd door zowel de KNFM als door de ex FKM en de ex
NFCM bonden. WMC deelname door Nederlandse orkesten is stabiel. Nam in 1998 nog ca. 70% van
de lid-verenigingen deel aan concertconcoursen, in 2011 is dat aandeel afgenomen tot ca. 35%. Voeg
hierbij het groeiende aantal fusies van orkesten overal in het land en het is duidelijk dat
concoursdeelname in kwantitatieve zin wel terug moet lopen. Het lijkt, op basis van de cijfers van de
afgelopen twee jaar, erop dat de daling tot stilstand is gekomen en dat er een stabiel niveau van
concoursdeelname is bereikt, zeker is dat echter nog niet.

bondsconcours

 

aantal Nederlandse deelnemers concertconcoursen

FKM/KNFM/NFCM/WMCconcept t.b.v. discussie
Groei en bloei van de amateur blaasmuziek in Nederland – Visie en aanpak – conceptversie 9 – 8 oktober 2013 blz. 3
is de afname minder (N.B. Brassbands zijn verplicht regelmatig deel te nemen aan reguliere
bondsconcoursen om deel te mogen nemen aan NBK.).
In 2004 werd het concoursreglement verruimd met het zogenaamde onderdeel 2b en werd het
mogelijk om i.p.v. een keuzewerk uit het groot repertorium, een geheel vrij te kiezen werk of aantal
werken uit te voeren. Het aantal orkesten dat gebruik maakt van gedeelte 2b is sterk verminderd.
Was dat in de beginjaren (2004-2007) nog 25 à 30% (waarschijnlijk nog veel hoger, de cijfers uit de
beginjaren zijn geflatteerd). Inmiddels is dat percentage gedaald tot ruim 5% van de deelnemende
orkesten.
Conclusie KNFM/VNM Commissie Blaasmuziek: Deelname aan concertconcoursen is gehalveerd. Dat
betekent dat er een grote groep orkesten is die het concertconcours niet meer gebruikt als instrument
voor kwaliteitsontwikkeling.
3 Kwalitatieve onderzoeken
Discussie over concertconcoursen is er al lang en er zijn diverse onderzoeken naar de zin en de
beleving hiervan door muziekverenigingen gedaan. Patricia Kools (‘Concoursen in de Limburgsen
blaasmuziek’ – 1998) constateert dat er een verschil bestaat in de beleving van concoursen. Orkesten
in de lagere afdelingen zien een concours vooral als een toetsing (‘waar staan we?’). Alleen orkesten
die over voldoende financiële en muzikale middelen beschikken, kunnen concoursen als een
wedstrijd zien, hetgeen betekent dat alleen de echte toporkesten het wedstrijdgebeuren tot in de
puntjes beheersen. Met name verenigingen in de lagere afdelingen voorzien (in 1998!) problemen
met de continuïteit van verenigingen. Men moet al veel inspanningen verrichten om de vereniging
draaiend te houden en concoursen worden gezien als een extra belasting, zowel financieel, qua
bezetting en qua motivatie van de leden. Zij constateert ook een discrepantie tussen de artistieke
visie van dirigenten en de bestuurlijke visie van bestuurders: hoewel er in artistiek opzicht een hoog
niveau is bereikt, kan er in bestuurlijk opzicht nog veel verbeterd worden. Patricia Kools constateert
ook dat orkesten niet zozeer bezwaar hebben tegen het concourssysteem ‘an sich’ (concoursen
bieden een zinvolle mogelijkheid tot kwaliteitsborging) maar dat kritiek vaak interne problemen van
de vereniging verhult (het concours krijgt de zwarte piet).
Recent deed Remon Aarts kwalitatief onderzoek naar het functioneren van de Brabantse
blaasmuzieksector in het algemeen en het concoursmodel in het bijzonder (‘Blaasmuziek onder de
loep, de houdbaarheid van het concoursmodel’ – 2012). De hoofdvraag was: in hoeverre sluit het
huidige concoursmodel aan bij het functioneren en de doelstellingen van de harmonie- en
fanfareorkesten, uitkomende in de lagere divisies. Ondanks de beperkte scope, zijn de bevind

enz enz