Appeltje voor de dorst ??

DSC01444

Appeltje voor de dorst

 

 

acryl op doek, klei ondergrond, formaat 40*30 cm , jaar 2012

 

Een appeltje voor de dorst

Normaal keert DNB de winst uit aan de Nederlandse staat. Klaas Knot doet het meteen anders.

Door Kees Kraaijeveld

Illustratie: Bas van der SchotIllustratie: Bas van der Schot

Wat is de belangrijkste les uit de crisis? Voor Klaas Knot is dat helder. Als we de belangrijkste bankier van Nederland moeten geloven, dan is het ‘de waarde van buffers’.

Een appeltje voor de dorst, wat vlees op de botten, een spaarpotje. Voor wie het hoofd boven water wil houden in een onzekere wereld, zijn buffers onmisbaar, zo stelt Knot in zijn eerste jaarverslag als baas van De Nederlandsche Bank (DNB). ‘Met buffers worden onvermijdelijke onzekerheden in economische processen opgevangen, door overheden, financiële instellingen, bedrijven en gezinnen.’

Dit alledaagse inzicht zijn we in de jaren negentig uit het oog verloren. Het ging té goed. Nederland voelde zich rijk, we gaven meer uit dan we verdienden en de economie draaide lekker. Met het nieuwe millennium was het feest over. ‘Alles wat in de jaren negentig meezat, zat in de jaren nul tegen,’ schrijft Knot. Aandelen en huizen bleken in waarde te kunnen dalen. Pensioenfondsen bleken een tekort te kunnen hebben. Nederland voelde zich niet meer rijk, de consumptie zakte in. En nu zitten we weer in een recessie.

Hadden we tijdens de vette jaren maar niet alles moeten uitgeven aan auto’s, nieuwe keukens en vakanties. Hadden we toen maar niet potverteerd, maar onze spaarpotjes gevuld. Die les leren we nu pas. Te laat.

Pas sinds de kredietcrisis is iedereen weer buffers aan het opbouwen. Internationaal worden afspraken gemaakt over het verhogen van de kapitaalbuffers van banken. Particulieren zijn aan het sparen geslagen. Overheden proberen met man en macht de eruptie van staatsschuld te bedwingen.

Het is hamsteren geblazen. En Klaas Knot geeft zelf het voorbeeld. DNB heeft vorig jaar onverwacht behoorlijk wat winst gemaakt; 1,2 miljard euro. Dat is minder dan de 1,6 miljard van 2010, maar nadat minister Jan Kees de Jager eind december aan de Kamer schreef dat we er ‘ernstig rekening mee moesten houden’ dat DNB ‘een lagere winst of zelfs een verlies’ zou moeten presenteren, is het een dikke meevaller.

Normaal keert DNB bijna de volledige winst uit aan haar enige aandeelhouder: de Nederlandse staat. Maar Knot doet het meteen anders. Hij bouwt – jawel – een buffer op. Hij maakt ‘slechts’ 750 miljoen over aan de schatkist. De resterende 463 miljoen houdt hij zelf, als appeltje voor de dorst.
Verstandig. DNB heeft een groot deel van de winst te danken aan de rentebetalingen op geld dat de bank via de Europese Centrale Bank (ECB) heeft uitgeleend aan noodlijdende landen als Griekenland en Spanje. Tot dusverre heeft de ECB daarmee nog niet de neus gestoten, maar mocht het toch misgaan met een euroland, dan moet DNB meebetalen. En dan is het prettig geld achter de hand te hebben.

En de schatkist dan? Is het niet jammer voor minister De Jager dat hij een half miljard minder krijgt dan zou kunnen? Dat is het. De Jager had vorig jaar ook al gerekend op een interimdividend van 550 miljoen, dat DNB besloot niet te betalen. Wat dit betreft illustreert DNB dat de buffers van de een maar al te vaak de armoede van de ander zijn.

Maar is Knots buffer van 463 miljoen een tegenvaller voor de begroting van dit jaar, zoals de kranten afgelopen week suggereerden? Ik denk het niet. Iets is alleen een tegenvaller als je meer had verwacht. En in de Miljoenennota 2012 staat onder ‘winstafdracht DNB’ geen 1,2 miljard ingeboekt en ook geen 750 miljoen. De Jager hield het op Prinsjesdag nog op een voorzichtige 549 miljoen. Hoe de 750 miljoen in de begroting past, weet het ministerie van Financiën nog niet. Maar stel dat het hele bedrag meetelt, dan is de winstafdracht juist een meevaller van 200 miljoen euro. Om de verhoudingen even te schetsen: dat is wat het kabinet nu in een jaar bezuinigt op Kunst en Cultuur.

Alles is veel, voor wie niet veel verwacht. Dat De Jager vorig jaar dacht dat DNB getroffen zou worden door de eurocrisis, pakt nu gunstig uit. De Jager heeft wat extra om de gaten in zijn begroting mee te stoppen. En Knot kan zijn belangrijkste les uit de crisis voorleven; en buffers opbouwen.

 

 

 

 

 

maandag 6 augustus 2012

 

Het pensioendebat (4):

Het aanvullend pensioen, uw appeltje voor de dorst?

 

Begin juli kondigden een aantal grote verzekeraars aan dat ze het rendement op de aanvullende pensioencontracten verlagen tot 2,25%. Door de economische crisis zou het rendement dat de wet oplegt niet meer haalbaar zijn, en zouden aanvullende pensioencontracten verlieslatend worden.

Assuralia, de beroepsvereniging van verzekeringsondernemingen, is dan ook een heuse lobby gestart voor de afschaffing – of minstens een verlaging- van het gegarandeerd rendement.

Gegarandeerd rendement

De wet op de aanvullende pensioenen garandeert werknemers een vast rendement op het gespaarde kapitaal: 3,75% voor werknemers- en 3,25% voor werkgeversbijdragen.

Het is de werkgever die die opbrengst moet waarborgen. Als de pensioeninstelling een lagere interest biedt, moet de werkgever het verschil bijpassen.

Dat rendement hoeft niet jaarlijks behaald te worden, maar pas bij het einde van de pensioenovereenkomst. In principe hoeft niemand dus te panikeren bij een aantal ‘magere jaren’. Die kunnen gecompenseerd worden met de hogere opbrengsten van voor en na (gesteld dat die niet zijn uitgekeerd aan de aandeelhouders…).

De invloed van Europa

De verzekeraars verschuilen zich achter de inwerkingtreding van de Solvency II-richtlijn. Deze verplicht hen om genoeg reserves in kas te hebben om op elk moment aan al hun verbintenissen te kunnen voldoen, zonder onderscheid tussen lange en korte termijn.

Daarbovenop moeten ze ook nog een buffer aanleggen. Hierdoor gaat het voordeel van de lange termijn verplichtingen verloren.
Een uitgelezen excuus voor de verzekeraars om de gegarandeerde interest aan te vallen.

En de werknemers?

Maar dat verandert niets aan de situatie van de werknemers, aan wie men de rekening nu wil voorschotelen.

De bedoeling van de tweede pijler was om werknemers een degelijk pensioen te garanderen, in het bijzonder wanneer de babyboomgeneratie op pensioen zou vertrekken. Men vreesde dat het wettelijk pensioen tekort zou schieten door de gewijzigde verhouding tussen werkenden en gepensioneerden.

Nu dat moment is aangebroken, pleit men ook in de tweede pijler voor hogere bijdragen en lagere uitkeringen… Precies het onheil dat men wou voorkomen in de eerste pijler.

We moeten de vraag durven stellen: heeft een aanvullend pensioen met een verlaagd rendement of – in het slechtste geval – zonder gegarandeerd rendement wel zin?

De enige redelijke beleidskeuze

Het rendement van de eerste pijler (het wettelijk pensioen) hangt af van de evolutie van de loonmassa, die op haar beurt bepaald wordt door de groei van het aantal werkenden, de inflatie en de reële economische groei.

In België is er nog steeds een groei van de loonmassa met 3 à 4%. Daalt het rendement van de aanvullende pensioenen onder de 3%, dan brengt de eerste pijler dus méér op.

Investeren in het wettelijk pensioen is dan de enige redelijke beleidskeuze. Dit kan het best door te investeren in kwaliteitsvolle jobs, wat de loonmassa – en dus de pensioenbijdragen – zal doen toenemen.

Bron:Astrid Thienpont, adviseur studiedienst federaal ABVV

http://www.dewereldmorgen.be/blogs/abvv-zomerblog/2012/08/06/het-pensioendebat-4-het-aanvullend-pensioen-uw-appeltje-voor-de-dors